Onderstaande tekst vond ik laatst (april 2011) bij het opruimen van mijn zolder terug.
Het is een opdracht-werkstukje, in december 1982 geschreven ter afsluiting van een bijvakcollege over anarchisme dat ik gevolgd had.
Ik studeerde toen muziekwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam.
Ook gaf ik voorstellingen met de poëzie-theatergroep 'Pohesie Horezie': een programma over dada en surrealisme,
gebracht o.a. in De Ysbreker en De Populier.
In het college, dat het anarchisme behandelde vanaf de vroege 19e eeuw tot en met liberaal-anarchistische voorstanders
van de 'nachtwakersstaat', stoorde mij het feit dat nooit enig anarchisme tot het denken zelf werd toegelaten.
Ik vond de tekst vooral waardevol vanwege de citaten (waarom is bijv. het essayistisch werk van Rodenko zo in de vergetelheid geraakt?)
en heb hem zonder wijzigingen uitgetypt.




Wat is anarchistisch denken?
- enkele aanzetten tot nader onderzoek


"Tout vrai langage est incompréhensible"
- Antonin Artaud



"Het anarchisme is voor alles wat men zou kunnen noemen een innerlijk oproer."
1)
Stirner noemt hier de anarchisten "zwervers van de intelligentsia, die herrieschoppers, die in plaats van wat duizenden mensen
vertroosting en rust geeft als onaantastbare waarden te beschouwen, over de versperringen van het traditionalisme springen
en zich ongeremd overgeven aan de fantasieën van hun onbeschaamde kritiek".
Proudhon verwerpt de "officiële kliek", de filosofen als eerste genoemd.

Waar is deze lijn gebleven? Bij Wolff is het al zover gekomen, dat hij zich op Kant en zelfs op Aristoteles beroept voor zijn
'moral philosophy". Aristoteles, de grondlegger van de tweewaardige logica: iets is waar òf niet waar (niet allebei tegelijk)
en een derde mogelijkheid is er niet. Echt niet?

Paul Rodenko zegt in zijn essay 'Brief aan een kritische vriend'
2) "Ik heb de denktrant in de hier gepresenteerde essays
onder meer aangeduid als 'experimenteel denken', en ook wel als anarchistisch, nomadisch of heraklitisch,
en heb daarbij een voorkeur aan de dag gelegd voor termen als speuren, aftasten, omcirkelen, wichelroedelopen.
Met andere woorden, ............. , iets dat in ieder geval lijnrecht ingaat tegen het gerichte Betoog,
dat onder auspiciën van een Leidende Idee met de ferme tred van de logica van een beginpunt (exposé)
naar een eindpunt (conclusie) voortschrijdt - een conclusie die voor de schrijver al bij voorbaat vaststaat
(die dus in feite zijn uitgangspunt vormt) en die hij alleen nog maar op het ruitjespapier van syntaxis en syllogisme
hoeft vast te leggen. Waardoor het element van avontuur (stel dat ik al doorredenerende, al doorvarende,
in plaats van Indië Amerika ontdek?), dat voor mij nu juist het boeiende is van het schrijven van essays, 'probeersels',
- het zoeken, het wagen, het incalculeren van de misgreep - bij voorbaat is uitgesloten."
Hij citeert Roland Barthes ('Le degré zéro de l'écriture') over Hébert, die ieder nummer van zijn tijdschrift 'Père Duchêne'
begon met enkele grofheden ('grossièretés'): "Ces grossièretés ne signifiaient rein, mais ils signalaient. Quoi?
Toute une situation révolutionnaire. Voilà donc l'exemple d'une écriture dont la fonction n'est pas seulement
de communiquer ou d'exprimer, mais d'imposer un au-delà de langage qui est à la fois l'Histoire et le parti qu'on y prend."
Dit alles tot herstel van het geweten van de mens, en dit niet in de christelijke zin (geweten als censuur,
als iets louter inperkends), maar als 'passie', instinctief richtingsgevoel, autonomie. Dan komt "de tegenspraak:
passie, hoe subjectief ook, veronderstelt een objectief correlaat waarop die passie betrekking heeft.
Dus toch een 'huis', althans een blauwdruk, althans een Ithaka (van tevoren bekende conclusie - J.)?
Ja. Het huis heeft voor mij zelfs een maatschappelijke naam: anarchie. En het bestaat, in de bestaanswijze die men
utopie noemt: Nergenshuizen. Dus het bestaat niet? Wel of niet, het is een kwestie van gezichtspunt; of van passie."

Hij noemt hier Ernst Bloch, bij wie inderdaad de toepasselijke citaten voor het oprapen liggen:
3)
"Aber was im Jetzt treibt, stürzt zugleich dauernd vorwärts. Es bleibt darum nie in sich selber webend, denn
das Dass des Lebens ist gierig. So ungeäussert sein Innen noch sein mag, darin äussert es sich, dass es das Seine
nicht hat, vielmehr draussen sucht und meint, also dass es Hunger hat. Und das Draussen, in das das Subjektive greift,
muss wenigstens so liegen, dass sich nach ihm greifen lässt. Wäre um das Drängen nach dem, was ihm fehlt,
nichts als lauter enge, erstickende, fest gewordene Mauer, dann wäre nicht einmal Drängen da. So aber ist ihm
noch etwas offen, sein Drängen, Wünschen, Tun hat Platz. Was aber nicht ist, kann noch werden, was verwirklicht wird,
setzt Möglichkeit in seinem Stoff voraus. Es gibt im Menschen dies Offene, und Träume, Pläne wohnen darin."
En even verder: "So aber gibt es im Fluss der Dinge, also der Ereignisse, noch durchaus ein Noch und Noch-Nicht,
was dasselbe ist, wie echte, das heisst, aus nie so Gewesenem bestehende Zukunft. Zeiten, in denen nichts geschieht,
haben das Gefühl fürs Novum fast verloren: sie Leben in Gewohnheit und das Kommende ist keines, sondern abgezirkelt
wie das Gestrige auch. Aber...". Het is moeilijk om een Bloch-citaat af te breken, zozeer ligt het 'Drängen nach vorwärts'
ook in de taal zelf.

De taal is belangrijk. Taal van het spreken, taal van het denken. Censuur die voortdurend doorbroken moet worden.
Wittgenstein: "Wo man an die Grenze seiner eigenen Anständigkeit stösst, dort entsteht quasi ein Winkel der Gedanken,
ein endloser Regress: man kann sagen, was man will, es führt einen nicht weiter."
4)

Daarmee komen we weer terug bij Rodenko. Tegen het eind van zijn essay zegt hij: "Het fundament van de staat,
van elke law and order, is de taal, dat wil zeggen de taal als traditie, systeem, sociale code; wie de taal aantast,
tast de staat aan. En in deze aantasting van de taal zelf als sociale code ligt nu juist het revolutionaire
van de moderne poëzie; niet, of in veel mindere mate, in haar eventuele 'sociale engagement'.
De zogeheten geëngageerde literatuur gebruikt de taal immers eveneens als sociale code en versterkt daardoor
alleen maar het starre, behoudende karakter van de geldende code; tegenover zekere leuzen worden andere leuzen
geplaatst, maar alles speelt zich af binnen hetzelfde gecodificeerde en geautomatiseerde taalsysteem (daarom blijft,
wanneer de nieuwe leuzen het winnen van de oude, meestal alles bij het oude)."

De moderne poëzie? Wie bekommert zich daarom? Of liever, wie waagt zich daaraan? De regels van de taal,
de geaccepteerde mogelijkheden van het denken lost te laten?
Osip Mandelstam:

"Waar te beginnen?
Overal knarst het en zwiept het.
De lucht siddert van vergelijkingen.
Geen woord is beter dan een ander."

Gevaarlijke situatie. Ontreddering.
Mandelstam later:

"Misschien is dit het begin van de waanzin,
misschien is dit je geweten:
de knoop van het leven, waarin wij gekend zijn
en ontbonden voor het bestaan."
5)

Mandelstam stierf in een concentratiekamp onder Stalin, Antonin Artaud zat tien jaar in psychiatrische inrichtingen.
Uit een posthuum gedicht van hem:

"Ik heb een afschuw van gedachten, ik geloof er niet meer aan
en ik zou willen dat men ze in beweging bracht
en dat men zei dat ik krankzinnig was;
want krankzinnigen bijten, nietwaar?

En dat de redetwister kome
hij zal me zeggen: dàt is er, dàt is er niet
en zó zijn de dingen en zó zijn ze niet
ik bijt hem.
(.............)

Het is niet omdat ik niet rechts of niet links ben want ik ben
nog minder in het midden en ik haat nog meer het evenwicht dan
de gedwongen verbanning
op voorwaarde dat ik het zelf ben die mij verban en ik verban
mij alleen als ik het onveranderlijke midden zie aankomen.
(.............)

Ik haat filosofie,......."
6)

Zo zijn we weer terug bij Stirner en Proudhon. Zou de sociale filosofie hiervan niet iets kunnen meepikken,
in de zin van doorbreking van denkcodes? Bakoenin zei al: "Vernietiging is schepping".

Een nieuwe taal scheppen die paradoxen zoals de 'onmogelijke mogelijkhied van de anarchie' (Rodenko)
een tehuis biedt, dat is wat dichters als Paul Celan en René Char gewild hebben; soms behoedzaam, soms vol verlangen
zoekend. Van de laatste twee citaten:

"Je voelt je gedreven tot schrijven,
Alsof je op het leven in moest lopen.
Mocht dat zo zijn, maak dan een rondgang langs je bronnen.
Haast je.
Haast je, jouw deel
aan wonderbare pracht, opstandigheid en heilzaam helpen
Over te dragen.
Werkelijk, je loopt bij het leven achter,
Bij het onuitsprekelijke leven,
Het enige tenslotte waarmee je wel één zou willen zijn;
Dat je dagelijks wordt ontzegd door mensen en door dingen,
Waarvan je hier en daar met moeite mageren brokjes weet te krijgen
Na gevechten zonder genâ."

"Kind de eenzaam-schuwe wandelpier,
Mens de nagebootste illusie.

Ongerepte ogen zoeken in het bos
Wenend het hoofd dat woning bieden mocht."
7)

Problemen? Hoe kom je ooit tot een consensus, als iedereen met 'ongerepte ogen' kijkt, als we niet tenminste proberen
mooie illusies na te bootsen? De filosofie overboord? Zeker niet, maar "houd je niet te lang op in het karrespoor
van de resultaten" (Char), laten we niet iedere 'onmogelijke mogelijkheid' meteen tussen de raderen van de logica vermalen.

"Wir können uns das nicht denken? Versuchen wir's denn? -"
8)


Jaap Blonk, 1982


1) Daniel Guérin, Het Anarchisme, Van Gennep 1976, p. 15
vertaling: Leo Klatser

2) Paul Rodenko, Op het twijgje der indigestie, Essays, Meulenhoff 1976

3) Ernst Bloch, Das Prinzip Hoffnung, Suhrkamp 1977, p. 335/6

4) Ludwig Wittgenstein, Vermischte Bemerkungen, Suhrkamp 1977

5) Osip Mandelstam, Wie een hoefijzer vindt, Van Oorschot 1974
vertaling: Kees Verheul

6) Door mij spreken verboden stemmen, bloemlezing uit de moderne buitenlandse poëzie,
samengesteld door Sybren Polet, Bert Bakker 1975
vertaling: Simon Vinkenoog

7) René Char, Samen aanwezig, Meulenhoff 1974
vertaling: C.P. Heering-Moorman

8) Ludwig Wittgenstein, Philosophische Untersuchungen, Suhrkamp 1971, p. 291